Wisselstroom-asynchroonmotor [t-head1]
Een aandrijving vereist op de eerste plaats een motor, waarvan de eigenschappen m.b.t. toerental, draaimoment en regelbaarheid passen voor de gestelde toepassing.
De wereldwijd meest toegepaste motor is de draaistroom-asynchroonmotor. De robuuste en eenvoudige constructie, alsmede de hoge veiligheidsklassen en gestandaardiseerde bouwvormen zijn kenmerken van de voordelige en meest gebruikelijke elektromotor.
Karakteristiek voor de draaistroommotor zijn de startkarakteristieken met startkoppel MA, zadelkoppel MS, kantelmoment MK en nom. moment MN.
Bij een draaistroommotor zijn drie wikkelingslussen, telkens 120˚/p (p = aantal poolparen) t.o.v. elkaar geplaatst. Door het aansluiten van een driefasige met 120˚ in de tijd verschoven wisselspanning, wordt in de motor een draaiveld opgewekt.
Door de inductiewerking worden in de rotorwikkeling draaiveld en draaimoment opgewekt. Het toerental van de motor is daarbij afhankelijk van het aantal poolparen en de frequentie van de voedingsspanning. De draairichting kan door het wisselen van twee aansluitfasen worden omgekeerd:
Voorbeeld: 4-polige motor (aantal poolparen = 2), netfrequentie = 50 Hz, n = 1 500 min-1 (synchrone toerental, toerental van het draaiveld)
Vanwege de diverse verliezen kan de rotor van de asynchroonmotor het synchrone draaiveldtoerental niet bereiken. Het verschil tussen synchroontoerental en rotortoerental wordt slip genoemd.
De elektrische en mechanische nominale gegevens van de motor zijn op de typeplaat vastgelegd.
De elektrische aansluiting van de draaistroom-asynchroonmotor volgt in de regel met zes aansluitbouten. Daarbij maakt men onderscheid tussen twee principe schakelingen, de ster- en de driehoekschakeling.
Aanwijzing
In de bedrijfsschakeling moet de -nominale spanning van de motor overeenstemmen met de netspanning.

