Elektronische motorstarters en drives
Principes van de aandrijftechniek

Sensorloze vectorregeling [t-head1]

Via de stuuralgoritmes worden de PWM-schakelpatronen (pulsbreedtemodulatie) voor de uitgangskring berekend. Bij de spanningsvectorregeling worden de amplitude en de frequentie van de spanningsvector afhankelijk van slip en belastingsstroom gestuurd. Dit maakt groter toerentalbereiken en hoge toerentalnauwkeurigheden mogelijk zonder toerentalfeedback. Deze besturingsmethode (U/f-besturing) verdient bij parallel bedrijf van meerdere motoren op een frequentieomvormer de voorkeur.

Bij de fluxgeregelde vectorbesturing wordt uit de gemeten motorstromen de werk- en blindstroomcomponent berekend. Deze worden met de waarden van het motormodel vergeleken en eventueel gecorrigeerd. De amplitude, de frequentie en de hoek van de spanningsvector worden direct geregeld. Hierdoor zijn bedrijf dichtbij de stroomgrens, grote toerentalregelbereiken en hoge toerentalnauwkeurigheden mogelijk. Het dynamisch vermogen van de aandrijving komt het best tot zijn recht bij lage toerentallen.

Het grote voordeel van de sensorloze vectortechnologie ligt in de regeling van de motorflux op een waarde, die overeenkomt met de nominale flux van de motor. Daardoor wordt ook bij draaistroomasynchroonmotoren een dynamisch draaimomentregeling mogelijk net zoals bij gelijkstroommotoren.

De volgende figuur toont een vereenvoudigt vervangend schakelschema van de asynchroonmotor en bijbehorende stroomvectoren:

Position 1Stator

Position 2Luchtspleet

Position 3Rotor

Position 4Rotorfluxgeoriënteerd

Position 5Statorgeoriënteerd

i1 = statorstroom (circuitstroom)

iµ = fluxvormende stroomcomponenten

iw = draaimomentvormende stroomcomponenten

R2/s = slipafhankelijke rotorweerstand

   

Bij de sensorloze vectorregeling wordt uit de gemeten grootte van statorspanning u1 en statorstroom i1 de fluxvormende grootte iµ en de draaimomentvormende grootte iw berekend. De berekening volgt in een dynamisch motormodel (elektrische schema draaistroommotor) met adaptieve stroomregelaars, rekening houdend met de verzadiging van het hoofdveld en de ijzerverliezen. De beide stroomcomponenten worden daarbij op waarde en fase in een coördinatensysteem (ω) voor een statorvast referentiesysteem (α, β) geplaatst.

De voor het model benodigde fysische motorgegevens worden uit de ingevoerde en de gemeten (selftuning) parameters bepaald.


Imprint © 2009 Moeller GmbH   Top