Kabels en leidingen moeten met overstroombeveiligingen tegen te hoge opwarming worden beveiligd, die zowel door bedrijfsmatige overbelasting als door kortsluitbeveiliging kan optreden.
Beveiliging bij overbelasting [t-head1-nnp]
De beveiliging bij overbelasting bestaat uit het voorzien in beveiligingsorganen die overbelastingsstromen in de leiders van een stroomkring onderbreken, voordat zij een voor de leiderisolatie, de aansluit- en verbindingsplaatsen evenals de omgeving van de leidingen en kabels schadelijke verwarming kunnen veroorzaken.
Voor beveiliging bij overbelasting van leidingen moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan (bron: DIN VDE 0100-430)
IB te verwachten bedrijfsstroom van het stroomcircuit
IZ Stroombelastbaarheid leiding of kabel
In Nom. stroom beveiligingsorgaan
Opmerking:
Bij instelbare beveiligingsorganen komt In overeen met de instelwaarde.
I2 De stroom, die een afschakeling van het beveiligingsorgaan volgens de in de apparatenbapalingen vastgelegde voorwaarden veroorzaakt (grote teststroom).
Opstelling van de beveiligingsorganen voor beveiliging bij overbelasting [t-head3]
Beveiligingsorganen ter beveiliging bij overbelasting moeten aan het begin van elke stroomkring alsmede op alle plaatsen worden ingebouwd, waar de stroombelastbaarheid wordt verlaagd, voor zover een voorgeschakeld beveiligingsorgaan de beveiliging niet kan waarborgen.
Opmerking:
Oorzaken voor de reductie van de stroombelastbaarheid kunnen zijn:
Reductie van de aderdiameter, ander type leggen, andere aderisolatie, ander aantal.
Beveiligingsorganen ter beveiliging bij overbelasting mogen niet worden ingebouwd, wanneer de onderbreking van de stroomkring gevaar kan opleveren. De stroomkringen moeten dan zo worden berekend, dat geen rekening moet worden gehouden met optreding van overbelastingsstromen.
Voorbeelden:

